Categorieën
Reportages

15 B GAAT DOOR

Op de hoek Singel en Korte Korsjespoortsteeg komt een blauwe Opel bestelbus tot stilstand. ‘Schoonmaakbedrijf Elisabeth’, staat er op de zijkant vermeld, ‘zelfs onze emmers zijn schoon.’ Als de lichten gedoofd zijn en de diesel het zwijgen is opgelegd, stapt een man – klein van stuk, ferm gebouwd – achter het stuur vandaan. Dagelijks rijdt John (39) hier aan. Hij is schoonmaker van de peeskamers in dit kwartier. Van zes tot acht zorgt hij met zijn ploeg van zes mensen – drie Polen, twee Hollandse zusjes en een man die ook bij de gemeente werkt – dat de resten van het nachtleven worden weggepoetst. Hij gooit de achterdeuren van zijn wagen open om de schone lakens en handdoeken, rollen papier en zeep uit te laden. Onder haast onhoorbare begroetingen reikt hij tassen en pakken aan. Als de bus leeg is, loopt hij naar een kantoor in de Oude Nieuwstraat. Op een bord valt te lezen: ‘Kamerverhuur.’

Beeld Ferry Wieringa

GEEN BIJZONDERHEDEN

Achter een bureau zit een man met een sigaret in zijn mondhoek. Een dame staat aan zijn zijde rekent de huur van de kamer af. John begroet de man. “Nog wat bijzonders?” Onder een televisiescherm waarop een actualiteitenprogramma wordt herhaald, zitten drie vrouwen aan de koffie. In de sporttas naast een van hen ligt een radio bovenop een kleed met tijgerprint. Ze zijn sjofel gekleed, wat sterk contrasteert met de zorgvuldig aangebrachte make-up op hun gezichten.

Als de man het geld heeft geteld, richt hij zich tot John. “Geen bijzonderheden,” antwoordt hij, “alleen 15 B gaat door.” Buiten gekomen verklaart John: “Dat meisje blijft op d’r kamer. Die werkt dan verder. Meestal gaan ze eerst nog even slapen tot een uur of elf, nemen dan een douche en gaan weer pezen. Ik zal het Ans even zeggen.” Verbaasd kijkt hij me aan als ik hem vraag waar Fatima zal slapen. John: “Op d’r kamer. Alle voorzieningen zijn er: bed, douche, gordijnen.”

Kamers kunnen voor de dag of nacht gehuurd worden. De tarieven liggen tussen de 50 en 100 euro.

De schoonmakers zijn ondertussen uitgewaaierd over de complexen. Ans en Jet werken gezusterlijk samen. De man met de dubbele baan en de Polen werken elders in de stegen. John loopt met zijn tas met schoon goed naar nummer 26. Hij opent de deur, schuift de gordijnen even opzij om ze daarna weer zorgvuldig te sluiten. “Gewoon om te voorkomen dat die gasten díe nog rondlopen mij aanspreken.”

Hij trekt zijn jas en trui uit en begint zijn ronde. Naast de rode lampen en het black-light uit de tl-buizen, knipt hij de plafonnières met nog wat wandlampen aan. Een eenvoudige kamer met bed, stoel, wasbak en kastje met slot is zichtbaar. John: “Vroeger waren het echte hoerenkasten. Schilderijtjes, gordijntjes, kleedjes. Sommige dames brengen nu zelf nog wel wat mee, maar het zijn vrij sobere, nette kamers.”

De vergelijking met hotelkamers bevalt John wel. “Ik heb het nooit aan de grote klok gehangen dat ik dit werk doe. Vroeger wel, maar als mensen het me vragen, zeg ik: ik maak kantoren, winkels en hoerenkasten schoon. Of peeskamertjes, zo noem je het met een mooi woord ook wel.” (EINDE FRAGMENT)

Beeld Ferry Wieringa

Categorieën
Reportages

JUKKIES, PLANKIES, BOKKIES, ZEILTJES EN RINUS

“Nog lekkerder.”

-“Wat”

“Nou, zij komt ook.”

-“Wie?”
“Wie? Me schoonmoeder. Denk ik een paar weken van d’r af te wezen, zegt ze gisteren doodleuk, ‘dan zien we je daar wel.’ Zit ik ook in Salou met ze opgescheept.’ Godskolere.”

Zes man. Ze roken, brallen, geinen en zwijgen. Frank is al een paar uur wakker. Hij voert het hoogste woord. Rinus zit erbij. Hij heeft in het warme lokaaltje zijn groene winterjas nog aan. Hij draagt stevige sportschoenen onder een grijze pantalon met bandplooi. Hij is de oudste van het stel, 56, en de zwijgzaamste.

Hij was vanmorgen om half zes vertrokken. Met de bus van Purmerend naar het CS. Vanaf daar de tram. Om tien voor half zeven stapte hij de loods binnen. Hij reisde samen met Dennis. Maar Dennis – de Benjamin van het stel – liep voor hem uit. Hij huurt een kamertje bij Rinus. Uit noodzaak.

In een vorig leven drumde Rinus in een nachtclub in de Korte Leidse Dwarsstraat. Cabaret, swingende muziek, rumbaatjes. Hij begeleidde de optredens van travestieten. Maar de uren braken hem op. En hij zegt dat er veel gemene mensen rondliepen, criminelen. Hij ging hij op zoek naar ander werk, eerlijk werk. “Ik dacht: die mensen met een gewone baan die zijn toch ook best gelukkig.”

Beeld Sander Heezen

Beeld Sander Heezen

EERLIJK WERK

Ze werken twee aan twee. Jukken plaatsen, planken en latten leggen en dan het zeil spannen. De jukken wegen tegen de 30 kilo. De zeilen zijn groot en moeilijk handelbaar. Helemaal als er een stevige wind door de straat waait. Rond achten zijn ze klaar. Dan valt de groep uit elkaar. De een gaat slapen, de ander naar zijn tweede baan. Rinus gaat koffiedrinken, sigaretten roken – zijn gerolde sigaretten zijn prachtige kokertjes vol tabak. Of hij informeert bij de koopmannen of hun auto’s nog gewassen moeten worden.

Ze doen het allemaal, bijbeunen bij kooplui. Extra klemmetjes schroeven, een nieuw zeiltje plaatsen voor extra fooi, karretjes rijden, autootjes wassen. De marktkooplieden zijn de fruitbomen waar flink aan geschud wordt.

Rinus is gescheiden, woont met zijn dochter en dus ook met Dennis, die hij behandelt als zij eigen zoon. Hij heeft hem ook bij de voorman geïntroduceerd. En ja, die had wel werk voor hem. Voorman Bauke is tevreden over Dennis die met zijn Nike petje, kortgeschoren kop, Cavollo jackie en Nikes aan de voeten, in alles een lastig geval zou kunnen zijn, maar binnen de groep prima meekomt omdat hij ‘lekker kan werken’.

En Rinus? Ach, Rinus is Rinus. Soms een wat zonderling figuur tussen de gasten die zelfs in hun slaap nog het hoogste woord voeren. “Dag Marinus. Wat zien we er vandaag netjes uit.” Haast onverstaanbaar groet Rinus terug. Zijn goedemorgen verdwijnt onopgemerkt onder de tafel. Frank – de Salouganger, geboren op de Cuyp – overstemt hem alweer. “En wat heb je een prachtige broek aan vandaag Rinus. En wat zijn je haren netjes gekamd. Helemaal het mannetje.” Rinus glimlacht en laat een zestal suikerklontjes in zijn koffie glijden en sluit zijn ogen. Zijn antwoord gaat goeddeels verloren: “Ja, haren gekamd.”/ “Die jas had ik al.”/ “Oude broek hoor.” (EINDE FRAGMENT)

Categorieën
Reportages

EEN GOEDE BUUR

Nadat we samen zijn bed hebben verschoond, delen we een alcoholvrij biertje. Een motje dwarrelt door de kamer en Hubert weet waar die gaat landen. “They’re eating my whole carpet.” De verdelgingsspuitbus staat naast hem maar voor hij ter plekke is, hebben die motten alweer nakomelingen. Als ik me bij de bank buk, zie ik dat ze inderdaad bezig zijn het kleed te laten verdwijnen.

“Vind je het niet erg?”

“Er zijn andere dingen waar ik me druk om maak.”

“Je vermoeidheid?” vraag ik.

Yeah. Ik ben de hele tijd moe en val overdag vaak in slaap. Ik wil wel lezen maar na aan halve bladzij dommel ik weer in. En er blijft niks meer hangen.”

Het bed opmaken samen ging niet eenvoudig. Het leek mij lekker om een fris bed te hebben maar Hubert vond acht maanden niet bijster lang. “Het enige wat ik er doe is slapen. Daar wordt het niet vies van.” Het huis gaat achteruit maar hoewel ik kleine klusjes oppak, voel ik me niet geroepen het een grote beurt te geven.

Nu, aan het biertje, zegt hij: “Ik zag ertegenop. Ik had geen puf. But I appreciate it.”

Hij kijkt naar buiten zonder echt iets te zien. Sportschool, operabezoek, de golfbaan en vrienden, het is weggevallen. Zijn auto wacht op het eerste kaartje tussen de ruitenwisser van zo’n opkoper. Zijn neef – koude kant – woont in Zandvoort en for old times’ sake helpt hij Hubert. Ook komt zijn oud-buurvrouw nog langs.Hubert groeide als wees in Chicago op in joodse weeshuizen en pleeggezinnen. Zijn moeder was arm. Hij heeft geen kinderen.

Zijn neef begon enthousiast met zijn taak als mantelzorger maar nu is hij de lamme die de blinde helpt. Hij heeft een depressie, hartritmestoornissen, slaapt niet en drinkt soms te veel. “Hij moet mijn nalatenschap regelen” zegt mijn buurman, “but it looks like he’s going before me.”

Na het biertje wil ik Huberts hometrainer – door zijn neef geregeld – waterpas zetten. Ik zoek iets voor onder de poten.

Hubert: “Pak maar wat pockets.”

Sure? Hemingway maar doen?”

“Yeeeah, tough guy.” De boeken die ik aanvankelijk leende, hoeven allang niet meer terug.

***

In 2000 kwam ik hier wonen. Een mooi oud huizenblok, Plan Zuid, met een diverse bewonerssamenstelling, koop en huur, jong en oud. Ik schrijf en dat doe ik in mijn zolderkamer. Daar leerde ik op zonnige dagen Hubert en Ellen kennen die op het platte dak onder een waslijntje in hun tuinstoeltjes zaten. Elisabeth Taylor en Richard Burton in Who’s afraid of Virginia Woolf hadden hun gelijke gevonden in vitten en kibbelen. Het klonk alsof dit huwelijk zou sneuvelen maar Ellen en Hubert bleken al sinds 1975 getrouwd. Na Ellens plotselinge dood in 2007 besloot ik mijn buurman te bezoeken en sindsdien kom ik bij hem. Hij heeft een leuk huis, veel gelezen en films gezien, kan goed vertellen. Ik leende boeken die we samen bespraken. Als mijn vrouw of ik een tentoonstelling of voordracht hadden, kwam hij kijken. Maar sinds anderhalf jaar heeft hij neuropathie en geheugenverlies.

Zijn auto slaat langzaamaan groen uit. Gras schiet op tegen de banden. Hubert heeft vrienden, al is het contact teruggebracht tot telefoneren. Hij is ook graag op zichzelf en vermaakt zich met het aanbod van Netflix, HBO en CNN. Als ik hem in de buurtbibliotheek tegenkom, praten we maar hij zit er verder alleen zijn New York Times te lezen. Als hij voor de deur zit te zonnen, maakt hij wel praatjes maar houdt het bij smalltalk, hij laat mensen niet dichtbij komen.

Sinds een jaar doen we samen boodschappen. Het Gelderlandplein doet hem aan Amerika denken. Alles is er, het is ruim en luxe.” Met zijn honkbalpetje op zit hij naast me. “Hoe vind je het om in mijn auto te rijden?”(EINDE FRAGMENT)

Categorieën
Reportages

EEN DECORSTUK GAAT HIER JAREN MEE

Bakkerij Blankendaal verkoopt brood en gebak. De belangstelling van Riek krijg je er gratis bij. Klanten komen op pantoffels, prijzen zijn er laag. Maar de tijd van drie verkoopsters in de winkel is voorbij. ‘Als mijn vrouw iemand twee dagen niet heeft gezien, gaat ze rondvragen.’

Het is zes uur en buiten nog donker als de winkelbel klinkt en moeder Riek (64) – kleine oogjes, gezet postuur, bril, onder een praktisch grijs kapsel – de bakkerij binnenstapt waar haar twee zoons al uren in de weer zijn. ‘Een hele goedemorgen.’ Ze draagt stevige wandelschoenen en een dikke wollen trui waarover ze straks een schort zal aantrekken. Het eerste wat ze doet is haar jongens van koffie voorzien. ‘Moeders hè’. Echtgenoot Bert laat nog op zich wachten – hij parkeert de auto.

Bert Blankendaal (64) draagt onder zijn fleecevest een buik voor zich uit en heeft lang grijs, warrig haar. ‘Moge. Hoe het gaat? Ze gangetje. Hoe dat gangetje is? Vol te hou-we.’ Nestor Berts stem is laag. In de winkel liggen naast broden ook Berts boeken. Op de achterflap van verhalenbundel Zadelpijn in Zuid: “Je vangt altijd wat op in Amsterdam (..) soms een zin, soms een outfit, soms een blik… en daar laat je dan je fantasie mee spelen.” Bert: ‘Reve en Hermans zijn de grootsten, maar Carmiggelt is ook prachtig.’

Als de koffie is ingeschonken gaat Riek met de kratten brood naar de winkel en vult ze de achterwand. In de bakkerij heeft Bert een stapel broodzakken gepakt om een bestelling in te pakken. Tot zijn jongste: ‘Die stokken van de Britten zijn die al naar de winkel?’

Ruud: ‘Wat?’

‘Die stokken, zijn die al klaar of niet?’

‘Nee.’

In 1995 kochten Bert en Riek de zaak op de hoek Jason- en Amazonenstraat. Ze hadden een keten van drie winkels en een grote, moderne bakkerij. Bert: ‘Maar als ik op zondagavond sport wilde gaan kijken, kwamen de eerste telefoontjes: die ziek, die ruzie met die. Ik had zoveel mensen voor me werken, de huren van drie winkels, ons eigen pand, belastingen. Ik wilde weer bakker zijn.’

Riek. ‘En ik was ondertussen kleuterjuf voor al die winkelmeiden.’ Riek stelde voor de boel te verkopen.

Na de overdracht beleefde Bert een kort avontuur in een broodfabriek (‘Ik wilde dat wel eens meemaken’) en Riek op de broodafdeling van een supermarkt. Riek: ‘Maar daar had ik nauwelijks contact met de mensen. Niks aan.’ Ze kregen de tip van een kleine zaak in Amsterdam Zuid die te koop stond. Riek: ‘Triest, de bakker, een jonge vader met twee kinderen, lag op een ochtend dood voor de oven. Toen we gingen kijken stond het gras hoog tegen de gevel.’

Bert: ‘Een kleine winkel mét bakkerij in een buurt met geld. Precies wat ik zocht.’

Na opening liep het meteen goed.

Bij zevenen prikt Bert buiten de vlaggen in de houders – de klapborden zijn vastgezet, de statafel is uitgeklapt, de gefiguurzaagde dikke banketbakker met koksmuts aan de gevel ontbreekt niet. Binnen meldt zich een oude man in ruimvallende vale spijkerbroek op Zweedse muilen bij de toonbank voor een halfje wit. Riek (later): ‘Ik heb ook een klant die elke morgen met een koffie en croissant kwam ontbijten. Die leest de krant en vraagt altijd: “Mevrouw de bakker, wat vindt u hier nu van?” Of een vrouw die in acht maanden tijd haar broer en moeder is kwijtgeraakt. Die viel in een heel zwart gat. Met haar spreek ik dan weer over het overlijden van mijn vader en schoonmoeder. Nadat we de bakkerij hadden verkocht, zat ik zes weken thuis. Ik werd gek. Ging wel fietsen, dingen doen maar ik miste de gezelligheid. Ik ben benieuwd naar mensen. Ik zeg wel eens: ik ben een sociaal werkster alleen word ik er niet naar betaald.’

Een vrouw komt binnen: ‘Goedemorgen, een halfje grof gesneden.’ Nadat de vrouw na een praatje met haar brood is vertrokken (“Doooooeg”), gaat Riek verder. ‘Maar die oude man van zo-even heeft hier een keer uren gezeten. Na twee uren liep ik met piepende oren en stekende hoofdpijn naar Bert. Die ging vervolgens naar de man. “Had u nog wat gehad willen hebben of…?” Hij keek op en antwoordde: “Doe nog maar een koffie.”’

Drie uur later rekende hij af: 3 euro. (EINDE FRAGMENT)

Categorieën
Reportages

MEVROUW ZIT ACHTER HAAR BALIE

De buitendeur zwaait open en een vrouw in een als een ballon opbollende winterjas stapt naar binnen. Mevrouw Golden Dragon kijkt van achter de balie op, maar de bezoeker lijkt niet voor eten te komen. Geheimzinnig glimlachend loopt de vrouw op een dame af die aan een tafel naast de balie in een tijdschriftartikel verzonken is. Ze legt haar handen op de pagina’s en roept: “Ja! Laatste woord!” Met een trage beweging kijkt de ander van haar blad op: “Hé, krijg nou wat. Hoe is het met jou?” Ze heeft een hese stem en bleek geblondeerd haar. “Lekker”, antwoordt haar kennis maar met zo’n diepe zucht dat het vermoedelijk niet werkelijk overhoudt. De ogen van de andere afhalers zijn op hun gericht.

Achter de balie wordt vanuit de keuken het luik omhoog geschoven. Een man met een pet van een autobandenfirma op ziet twee meeneembakjes verschijnen. Mevrouw stopt ze in een tasje: “Buurvrouw, uw bestelling is klaar.” De man laat zijn ogen weer zakken en leest verder.

Een vrouw slaat een tijdschrift dicht en schiet omhoog, kijkt even om en meldt zich aan de balie. Ze heeft grijs, ongekamd haar. Haar blik is, nu ze ineens geen wachtende meer is, behoedzaam, onzeker. Ze krijgt het kraaktasje aangereikt. “Sambal bij?” “Nee hoor, dat hoeft niet”, antwoordt ze. Het slappe dichtgeknoopte zakje sambal wordt weer in het mandje gelegd. Als zij op de deur toeloopt, schieten haar ogen door de kleine ruimte.

“Tot ziens buurvrouw”, roept mevrouw haar na. Vanuit het halletje klinkt nog net een gesmoord “Dank u wel” voordat ze zich uit de voeten maakt.

Achter het raam hangt een lichtbakje met de menukaart en aan de gevel een klein uithangbord met de naam van het restaurant. Vitrage achter de vensters, spaarlampen in de lampionnen. Het interieur van Golden Dragon houdt het midden tussen een Hollands koffiehuis en een oriëntaalse eettentje: een granieten vloer, maar een luifel als van een Chinese tempel. Story en Weekend tussen de lectuur, maar op de balie van mevrouw een Chinees dagblad. Op de tafels kannetjes Maggi, rijstkorrels in het zoutpotje. Een kaart vol Chinese gerechten maar bami wordt geserveerd met een spiegelei en er wordt Heineken-pils geschonken. Het eethuis is alle dagen van de week geopend.

De wachtkamer en het restaurantdeel lopen in elkaar over. De enige afscheiding die er is, is de tafel met lectuur. Eters hebben zicht op de wachtenden en wachtenden negeren de eters om hen niet op het bord te kijken.

Je loopt er makkelijk binnen. Ook als je alleen bent. De prijzen zijn laag, de porties zijn flink, het eten is vers. Mevrouw heet je altijd welkom, knikt je toe, laat je een tafel kiezen. Als het koud is, zegt ze: “Bij de kachel is beter.” Zelf is ze ’s winters steevast gekleed in een dikke trui en een bodywarmer. Ze vraagt of het gesmaakt heeft, of je nog wat wenst, pakt de ketjap, schenkt je biertje uit en als je het een keer bij een pot thee en een loempia houdt of na het eten nog rustig de kranten doorneemt, kijkt ze je niet de zaak uit.

Ze had met een korte blik op de kaart zonder veel nadenken een bestelling geplaatst en betaald. Haar man kwam daarna binnengestapt, moest nog even een plek voor de auto zoeken. Zijn vrouw was al gaan zitten. Toen hij de krant pakte, zei hij: “Wat een dunnetje.” “Zondag hè”, reageerde zij, waarna ze allebei begonnen te lezen. Hij in de krant, zij in een Privé.

Kort daarop komt er een grofgebouwde man binnen wiens ene schouder lager hangt. Groeven in het gezicht. “Goedenavond”, zegt hij met zware stem. Hij bestelt aan de balie en gaat vervolgens achter het stel zitten. Hij kijkt de vrouw op de rug. Mevrouw heeft zijn bestelling doorgespeeld en brengt de man nu een pijpje bier.

Zondagavond. Het drukste tijdstip van de week. Zeven wachtenden. Doodstil. Zittend en wachtend staart de man wat in de verte. Het flesje bier staat voor hem. Hij is met zijn gedachten elders, buiten het eethuis, maar dan, alsof hij zichzelf tot de orde roept, keert hij terug in het hier en nu. Hij zet het pijpje aan zijn mond. Twee dorstige slokken.

De vrouw voor hem draagt een driekwart jas waarvan de felle kleuren en drukke patronen vanzelf de aandacht trekken, of je wilt of niet.

Als haar bestelling doorkomt, staat ze op en draait zich even om naar de bier drinkende man. Ze werpt hem een blik toe. Hij kijkt haar onbewogen in de ogen. Je ziet hem denken, maar hij weet even niets uit te brengen. Hij weet zich geen raad.

De vrouw loopt door naar de balie. “Sambal?” vraagt mevrouw. “Nee hoor, dank je.”

Dan: “Verrek, zeg.” De bierdrinker is weer bij zinnen. “Nou zie ik het. Jíj bent het.”

De andere afhalers kijken op. “Ja, inderdaad, ik ben het”, zegt de vrouw met een minzame blik, alsof ze wist wat er ging komen, maar het exacte moment afwachtte.

“Ik moest echt even goed kijken. Ik herkende je niet. Jij bent heel wat veranderd zeg.”

Ze heeft twee plastic tasjes aangepakt en haar echtgenoot staat nu ook op en knikt instemmend bij de laatste woorden van de man. De vrouw lacht flauwtjes en loopt zonder iets te zeggen in de richting van de deur.

“Godsamme zeg. Je bent echt veranderd”, gaat de man met toenemend enthousiasme verder. “Alles goed? Hoeveel is d’r wel niet vanaf? Je bent een ander mens.” Hij struikelt over zijn woorden.

“Zevenendertig kilo”, antwoordt de vrouw. Haar man staat achter haar, tevreden met het resultaat, maar verlegen met deze situatie. Met zachte dwang duwt hij haar nog verder naar de deur. “Zevenendertig kilootjes zijn d’r vanaf”, zegt ze. Ze heeft de klink in haar hand.

“Nou”, zegt de man, goedkeurend knikkend, “het is de moeite waard geweest.”

“Fijne avond hè”, kapt ze af, de vleierij negerend. Haar man neemt met een kort hoofdknikje afscheid.

“Groetjes”, besluit de man van achter zijn tafel en hij heft zijn pijpje bier naar het stel. Als ze de deur uit zijn, neemt hij een slok. Hij is weer alleen, maar nog vol van verbazing. Hij mompelt wat na, schudt ongelovig het hoofd en neemt nog een slok.

In de zaak staat een koelkast waarvan de binnenverlichting defect is. Erboven hangt een telefoon met een kiesschijf. Op een drukke afhaalzondagavond ontsnapte er plots een geluid uit het toestel. Het was in eerste instantie niet meer dan een korte tik, alsof de bel aansloeg omdat iemand in het trappenhuis ernaast hard de deur dichttrok. Maar voor mevrouw was het voldoende. Ze kwam van haar kruk, liep om haar balie heen en slofte door de wachtruimte naar de telefoon. Het archaïsche rinkelen had inmiddels alle hoofden in de richting van het toestel doen draaien. Een jonge vrouw die met haar vriendje haar bestelling zat af te wachten, zei: “Dat is een ouderwetse.” Het geluid zocht zijn weg in de kleine zaak, kroop langs de witgesausde muren, deed de oude koelkast trillen, stuiterde tegen het plafond, de lampionnen die eraan hangen bungelden. Toen mevrouw eindelijk de hoorn opnam klonk het: “Chinese restaurant Golden Dragon, goeienavond… Oh, dag buurman.”

(einde fragment)

FERRY WIERINGA