Categorieën
Interviews

IK BEN EIGENLIJK NET KAREL APPEL

“Je gelooft het misschien niet, maar ik wist dat je zou komen. Dat komt, het stond in de krant, in de horoscoop: u gaat een boek schrijven. Je ziet het overal hè, artiesten die een boek schrijven. En nu kom jij met de vraag of je mijn verhaal mag opschrijven. Nee, dan moet er toch íets zijn.

Ik lees altijd eerst de hoogtepunten. Heb ik dat gedaan, dan ga ik beter lezen. En ook dat wat ik over heb geslagen. Vroeger als de taxichauffeurs die ik van de Febo kende langsreden, sloten ze nog wel eens weddenschapjes af. Of ik de krant zat te lezen, of dat ik een klant had. Maar dat doen ze niet meer, er is geen lol meer aan. Aan het eind van de dag heb ik heel die krant gelezen, álles, ook de horoscoop.

Ik kwam van de kermis. Van kinds af aan hielp ik mijn ouders. Op mijn zevenentwintigste had ik mijn eerste eigen attractie. Toen de kermis steeds slechter werd – meer regels, vergunningen, duurder stageld – ben ik op zoek gegaan naar iets anders.

Ik wilde zo net mogelijk mijn geld verdienen. Mijn ex-schoonvader had een bloemenstal, bij het Hilton. Dit was ook werk met je handen. Wel een beetje verstand, maar toch: vooral je handen. Toen een bekende ermee stopte, heb ik zijn plek overgenomen.

Na zoveel jaren Nederland doorreizen, zat ik ineens elke dag in die kleine stal met hetzelfde uitzicht. Ik moest afkicken. Ik heb lang gehad dat als het voorjaar aanbrak ik het aan mijn lichaam voelde: ik móet weg. Op de kermis schoot je geen wortel. Een enkele keer stonden we ergens langer. Als de anderen dan al weg waren, dan was het wel kaal en stil. Dan wilde ik ook zo snel mogelijk weg.

Ik stond op het plein, naast de Febo. Daar heb ik achttien jaar gestaan. Het waren mijn beste jaren: veel omzet, veel aanspraak. Met vierhonderd guldens inkoop had ik een omzet van wel tweeduizend. Ik haalde elke dag mijn koffie bij de Febo. Als het tegen sluitingstijd liep, dan kreeg ik het vaak zó mee, met een broodje en De Telegraaf erbij. Als ze mij iets aanbieden zeg ik altijd: ja. Ik heb uitgerekend dat ik er duizend euro per jaar mee heb bespaard.

Na zoveel jaren Nederland doorreizen, zat ik ineens elke dag in die kleine stal met hetzelfde uitzicht.

Eens in het jaar was er circus op het plein. Op een middag komt er een gloednieuwe Porsche aangereden: Reinout Oerlemans. Ik naar buiten. ‘Zet ’m hier maar neer. Ik let er wel op.’ Ik denk dat hij mij ook wel kende, half Nederland herkent me. Ja, er rijden dagelijks duizenden auto’s voorbij. Ik vertellen dat ik ook een Porsche heb gehad. Een oudje maar wel mooi een Porsche! ‘Geef me je sleutels maar dan was ik hem voor je.’ Sta ik even later uitgebreid die Porsche te soppen – en ja hoor, daar kwamen ze, die taxichauffeurs uit de Febo. ‘Is die van jou, heb je een ander?’ Ik doodleuk: ‘Was tijd voor iets nieuws.’ Ze werden he-le-maal gek. Ze willen alles van me weten, vooral hoeveel ik verdien. 

Op een bloemenmannenmanier zou ik het hier nog geen jaar hebben uitgehouden. Heb je een stal in de wijk, dan komen de mensen naar je toe. Langs de weg niet, ik moet wachten. Maar ik heb mijn trucjes. Op zondagen vroeg ik meer, want de mensen konden toch nergens anders heen. Bovendien komen zondagsklanten vaak van buiten. De stemming is feestelijk, het is niet voor jezelf. Dan ga je niet moeilijk doen.

Ook heb ik altijd andere bloemen gehad. Ik verkocht bloemen die niemand op de veiling wilde hebben. Ik hield wel de prijzen aan van dure bloemen. Ook mengde ik boeketten van oud spul. Ik ben eigenlijk net Karel Appel. Ik had boeketten in de gekste kleuren, van bloemen met een rare of platte kop, kromme stelen. Het schreeuwde, maar het was niet lelijk. Oude zonnebloemen pelde ik. Dan waren de blaadjes dor en bruin maar was het hart nog goed. Dat stak ik dan in een boeket. ‘Da’s apart,’ zeiden ze dan. Artistiekelingen, zweverige mensen – die heb je hier in Zuid. Zoals ik: lekker wild, gek (EINDE FRAGMENT)…

Categorieën
Reportages

15 B GAAT DOOR

Op de hoek Singel en Korte Korsjespoortsteeg komt een blauwe Opel bestelbus tot stilstand. ‘Schoonmaakbedrijf Elisabeth’, staat er op de zijkant vermeld, ‘zelfs onze emmers zijn schoon.’ Als de lichten gedoofd zijn en de diesel het zwijgen is opgelegd, stapt een man – klein van stuk, ferm gebouwd – achter het stuur vandaan. Dagelijks rijdt John (39) hier aan. Hij is schoonmaker van de peeskamers in dit kwartier. Van zes tot acht zorgt hij met zijn ploeg van zes mensen – drie Polen, twee Hollandse zusjes en een man die ook bij de gemeente werkt – dat de resten van het nachtleven worden weggepoetst. Hij gooit de achterdeuren van zijn wagen open om de schone lakens en handdoeken, rollen papier en zeep uit te laden. Onder haast onhoorbare begroetingen reikt hij tassen en pakken aan. Als de bus leeg is, loopt hij naar een kantoor in de Oude Nieuwstraat. Op een bord valt te lezen: ‘Kamerverhuur.’

Beeld Ferry Wieringa

GEEN BIJZONDERHEDEN

Achter een bureau zit een man met een sigaret in zijn mondhoek. Een dame staat aan zijn zijde rekent de huur van de kamer af. John begroet de man. “Nog wat bijzonders?” Onder een televisiescherm waarop een actualiteitenprogramma wordt herhaald, zitten drie vrouwen aan de koffie. In de sporttas naast een van hen ligt een radio bovenop een kleed met tijgerprint. Ze zijn sjofel gekleed, wat sterk contrasteert met de zorgvuldig aangebrachte make-up op hun gezichten.

Als de man het geld heeft geteld, richt hij zich tot John. “Geen bijzonderheden,” antwoordt hij, “alleen 15 B gaat door.” Buiten gekomen verklaart John: “Dat meisje blijft op d’r kamer. Die werkt dan verder. Meestal gaan ze eerst nog even slapen tot een uur of elf, nemen dan een douche en gaan weer pezen. Ik zal het Ans even zeggen.” Verbaasd kijkt hij me aan als ik hem vraag waar Fatima zal slapen. John: “Op d’r kamer. Alle voorzieningen zijn er: bed, douche, gordijnen.”

Kamers kunnen voor de dag of nacht gehuurd worden. De tarieven liggen tussen de 50 en 100 euro.

De schoonmakers zijn ondertussen uitgewaaierd over de complexen. Ans en Jet werken gezusterlijk samen. De man met de dubbele baan en de Polen werken elders in de stegen. John loopt met zijn tas met schoon goed naar nummer 26. Hij opent de deur, schuift de gordijnen even opzij om ze daarna weer zorgvuldig te sluiten. “Gewoon om te voorkomen dat die gasten díe nog rondlopen mij aanspreken.”

Hij trekt zijn jas en trui uit en begint zijn ronde. Naast de rode lampen en het black-light uit de tl-buizen, knipt hij de plafonnières met nog wat wandlampen aan. Een eenvoudige kamer met bed, stoel, wasbak en kastje met slot is zichtbaar. John: “Vroeger waren het echte hoerenkasten. Schilderijtjes, gordijntjes, kleedjes. Sommige dames brengen nu zelf nog wel wat mee, maar het zijn vrij sobere, nette kamers.”

De vergelijking met hotelkamers bevalt John wel. “Ik heb het nooit aan de grote klok gehangen dat ik dit werk doe. Vroeger wel, maar als mensen het me vragen, zeg ik: ik maak kantoren, winkels en hoerenkasten schoon. Of peeskamertjes, zo noem je het met een mooi woord ook wel.” (EINDE FRAGMENT)

Beeld Ferry Wieringa

Categorieën
Reportages

JUKKIES, PLANKIES, BOKKIES, ZEILTJES EN RINUS

“Nog lekkerder.”

-“Wat”

“Nou, zij komt ook.”

-“Wie?”
“Wie? Me schoonmoeder. Denk ik een paar weken van d’r af te wezen, zegt ze gisteren doodleuk, ‘dan zien we je daar wel.’ Zit ik ook in Salou met ze opgescheept.’ Godskolere.”

Zes man. Ze roken, brallen, geinen en zwijgen. Frank is al een paar uur wakker. Hij voert het hoogste woord. Rinus zit erbij. Hij heeft in het warme lokaaltje zijn groene winterjas nog aan. Hij draagt stevige sportschoenen onder een grijze pantalon met bandplooi. Hij is de oudste van het stel, 56, en de zwijgzaamste.

Hij was vanmorgen om half zes vertrokken. Met de bus van Purmerend naar het CS. Vanaf daar de tram. Om tien voor half zeven stapte hij de loods binnen. Hij reisde samen met Dennis. Maar Dennis – de Benjamin van het stel – liep voor hem uit. Hij huurt een kamertje bij Rinus. Uit noodzaak.

In een vorig leven drumde Rinus in een nachtclub in de Korte Leidse Dwarsstraat. Cabaret, swingende muziek, rumbaatjes. Hij begeleidde de optredens van travestieten. Maar de uren braken hem op. En hij zegt dat er veel gemene mensen rondliepen, criminelen. Hij ging hij op zoek naar ander werk, eerlijk werk. “Ik dacht: die mensen met een gewone baan die zijn toch ook best gelukkig.”

Beeld Sander Heezen

Beeld Sander Heezen

EERLIJK WERK

Ze werken twee aan twee. Jukken plaatsen, planken en latten leggen en dan het zeil spannen. De jukken wegen tegen de 30 kilo. De zeilen zijn groot en moeilijk handelbaar. Helemaal als er een stevige wind door de straat waait. Rond achten zijn ze klaar. Dan valt de groep uit elkaar. De een gaat slapen, de ander naar zijn tweede baan. Rinus gaat koffiedrinken, sigaretten roken – zijn gerolde sigaretten zijn prachtige kokertjes vol tabak. Of hij informeert bij de koopmannen of hun auto’s nog gewassen moeten worden.

Ze doen het allemaal, bijbeunen bij kooplui. Extra klemmetjes schroeven, een nieuw zeiltje plaatsen voor extra fooi, karretjes rijden, autootjes wassen. De marktkooplieden zijn de fruitbomen waar flink aan geschud wordt.

Rinus is gescheiden, woont met zijn dochter en dus ook met Dennis, die hij behandelt als zij eigen zoon. Hij heeft hem ook bij de voorman geïntroduceerd. En ja, die had wel werk voor hem. Voorman Bauke is tevreden over Dennis die met zijn Nike petje, kortgeschoren kop, Cavollo jackie en Nikes aan de voeten, in alles een lastig geval zou kunnen zijn, maar binnen de groep prima meekomt omdat hij ‘lekker kan werken’.

En Rinus? Ach, Rinus is Rinus. Soms een wat zonderling figuur tussen de gasten die zelfs in hun slaap nog het hoogste woord voeren. “Dag Marinus. Wat zien we er vandaag netjes uit.” Haast onverstaanbaar groet Rinus terug. Zijn goedemorgen verdwijnt onopgemerkt onder de tafel. Frank – de Salouganger, geboren op de Cuyp – overstemt hem alweer. “En wat heb je een prachtige broek aan vandaag Rinus. En wat zijn je haren netjes gekamd. Helemaal het mannetje.” Rinus glimlacht en laat een zestal suikerklontjes in zijn koffie glijden en sluit zijn ogen. Zijn antwoord gaat goeddeels verloren: “Ja, haren gekamd.”/ “Die jas had ik al.”/ “Oude broek hoor.” (EINDE FRAGMENT)

Categorieën
Reportages

EEN GOEDE BUUR

Nadat we samen zijn bed hebben verschoond, delen we een alcoholvrij biertje. Een motje dwarrelt door de kamer en Hubert weet waar die gaat landen. “They’re eating my whole carpet.” De verdelgingsspuitbus staat naast hem maar voor hij ter plekke is, hebben die motten alweer nakomelingen. Als ik me bij de bank buk, zie ik dat ze inderdaad bezig zijn het kleed te laten verdwijnen.

“Vind je het niet erg?”

“Er zijn andere dingen waar ik me druk om maak.”

“Je vermoeidheid?” vraag ik.

Yeah. Ik ben de hele tijd moe en val overdag vaak in slaap. Ik wil wel lezen maar na aan halve bladzij dommel ik weer in. En er blijft niks meer hangen.”

Het bed opmaken samen ging niet eenvoudig. Het leek mij lekker om een fris bed te hebben maar Hubert vond acht maanden niet bijster lang. “Het enige wat ik er doe is slapen. Daar wordt het niet vies van.” Het huis gaat achteruit maar hoewel ik kleine klusjes oppak, voel ik me niet geroepen het een grote beurt te geven.

Nu, aan het biertje, zegt hij: “Ik zag ertegenop. Ik had geen puf. But I appreciate it.”

Hij kijkt naar buiten zonder echt iets te zien. Sportschool, operabezoek, de golfbaan en vrienden, het is weggevallen. Zijn auto wacht op het eerste kaartje tussen de ruitenwisser van zo’n opkoper. Zijn neef – koude kant – woont in Zandvoort en for old times’ sake helpt hij Hubert. Ook komt zijn oud-buurvrouw nog langs.Hubert groeide als wees in Chicago op in joodse weeshuizen en pleeggezinnen. Zijn moeder was arm. Hij heeft geen kinderen.

Zijn neef begon enthousiast met zijn taak als mantelzorger maar nu is hij de lamme die de blinde helpt. Hij heeft een depressie, hartritmestoornissen, slaapt niet en drinkt soms te veel. “Hij moet mijn nalatenschap regelen” zegt mijn buurman, “but it looks like he’s going before me.”

Na het biertje wil ik Huberts hometrainer – door zijn neef geregeld – waterpas zetten. Ik zoek iets voor onder de poten.

Hubert: “Pak maar wat pockets.”

Sure? Hemingway maar doen?”

“Yeeeah, tough guy.” De boeken die ik aanvankelijk leende, hoeven allang niet meer terug.

***

In 2000 kwam ik hier wonen. Een mooi oud huizenblok, Plan Zuid, met een diverse bewonerssamenstelling, koop en huur, jong en oud. Ik schrijf en dat doe ik in mijn zolderkamer. Daar leerde ik op zonnige dagen Hubert en Ellen kennen die op het platte dak onder een waslijntje in hun tuinstoeltjes zaten. Elisabeth Taylor en Richard Burton in Who’s afraid of Virginia Woolf hadden hun gelijke gevonden in vitten en kibbelen. Het klonk alsof dit huwelijk zou sneuvelen maar Ellen en Hubert bleken al sinds 1975 getrouwd. Na Ellens plotselinge dood in 2007 besloot ik mijn buurman te bezoeken en sindsdien kom ik bij hem. Hij heeft een leuk huis, veel gelezen en films gezien, kan goed vertellen. Ik leende boeken die we samen bespraken. Als mijn vrouw of ik een tentoonstelling of voordracht hadden, kwam hij kijken. Maar sinds anderhalf jaar heeft hij neuropathie en geheugenverlies.

Zijn auto slaat langzaamaan groen uit. Gras schiet op tegen de banden. Hubert heeft vrienden, al is het contact teruggebracht tot telefoneren. Hij is ook graag op zichzelf en vermaakt zich met het aanbod van Netflix, HBO en CNN. Als ik hem in de buurtbibliotheek tegenkom, praten we maar hij zit er verder alleen zijn New York Times te lezen. Als hij voor de deur zit te zonnen, maakt hij wel praatjes maar houdt het bij smalltalk, hij laat mensen niet dichtbij komen.

Sinds een jaar doen we samen boodschappen. Het Gelderlandplein doet hem aan Amerika denken. Alles is er, het is ruim en luxe.” Met zijn honkbalpetje op zit hij naast me. “Hoe vind je het om in mijn auto te rijden?”(EINDE FRAGMENT)

Categorieën
Korte verhalen

HIJ SCHEURDE HAAR WEG UIT DE TIJD

Het is zondagmiddag. Ik loop naar een vriend. We gaan film kijken. Ik loop omdat ik tijd heb, ik graag wandel en wil nadenken over een volgend verhaal.

De stad reikt me doorgaans ideeën aan als een ontmoeting halverwege een brug, een overdracht. Het idee komt aangelopen en ontmoet mij in het midden van de brug. Herinneringen en persoonlijke relaties zijn mijn vertrekpunt. Ik loop over kades, door straten en buurten waar ik ook alweer 25 jaar doorheen wandel als ik de stad inga. Daar haalde ik jarenlang dagelijks een hond op die ik uitliet; hier staan de bomen die medio 1948 op verzoek van een Amerikaanse ambassadeur tegenover zijn villa werden geplaatst tegen inkijk op zijn tuinfeesten; op het dak van dat luxe hotel dat ik nu passeer, zoende ik met een vriendin.

Bij mijn vriend aangekomen, komt het bier op tafel. Voor de film toont hij me een fotoalbum dat hij bij het afval vond. Nee, hij weet niet meer waar. Jammer. Ik blader door twee albums van dezelfde eigenaar. In het eerste, het huwelijksalbum uit 1957, is zij weggescheurd. Hij mocht de albums houden. Zij verdween. Met een ander, ging ze vreemd? Op de trouwdag was er nog geen vuiltje aan de lucht. Het is in Amsterdam. Traditiegetrouw worden ze opgehaald, meestal bij de ouders. Ik probeer te achterhalen waar.

In het tweede album staat zij nog wel. Ze wonen samen. Op een foto vanuit de woning genomen staat hun uitzicht. Hoe bescheiden de flard ook is, herken ik het. Meen ik het te herkennen. Ik blader door, op zoek naar meer straatbeelden. Die blijken er te zijn: drie stuks. Het volledige uitzicht vanuit het raam geschoten met de camera naar links, het midden en rechts. Goud voor de spoorzoeker. Mijn vermoeden is bevestigd.

Het fotoalbum uit de jaren 50 dat ik inkijk, dat bij het afval lag in een stad met 900.000 inwoners en gered werd door een vriend is afkomstig van een (gescheiden) echtpaar dat in 1957 recht tegenover de woning woonde waar ik in 1975 kwam te wonen. Ons huis staat erop.

Categorieën
Korte verhalen

MIJN OUDE BUURMAN, ‘INTRODUCTION’

Of ik niet wat boeken van hem wilde. Mijn Amerikaanse buurman Hubert Mission is 88 jaar en hoewel hij hem niet met open armen bij de deur staat op te wachten, voelt hij zijn einde naderen. Als man alleen beginnen zijn waardevolle bezittingen hem een last te worden. Sinds twee jaar kwakkelt hij en waar mogelijk help ik hem. Onder meer door hem te chaufferen.

Rond de eeuwwisseling kwam ik hier te wonen in een mooi jaren 30 appartement in een ruim opgezette wijk. Van de buren die er destijds woonden, zijn er tot mijn grote verdriet al aardig wat vertrokken. Oude mensen, of mensen die allang ergens wonen, geven mij een zekere rust. Ik trek naar hen toe. In een wereld die maar doordraait en indrukken blijft leveren, zijn zij voor mij als bomen die staan waar ze staan. Daar waar ze zich bevinden is het goed. Dat geeft mij rust aangezien ik een nogal dromerig karakter heb en vele levens op vele plekken zou willen leiden. Bovendien kennen oude bewoners de geschiedenis van een plek en zij hebben, paradoxaal genoeg, tijd. Ze hebben vaak een lege agenda al ligt de aankoop van de laatste in het verschiet. Ikzelf heb ook een lege agenda. Mijn ritme is daarom eerder dat van een oude buur dan die van een jong stel.

Huberts vrouw Fanny leefde nog. Onze appartementen grenzen aan elkaar. Mijn werkkamer bevindt zich op zolder en als ik op zomerdag boven zat te werken, hoorde ik Hubert en Fanny praten terwijl ze op het dak in de zon zaten. Ik schrijf praten maar het was kibbelen. Zou je niet weten dat ze al 30 jaar samen waren dan kon je denken dat het huwelijk op springen stond. Niets was minder waar. Ze waren als Elizabeth Taylor en Richard Burton in ‘Who’s afraid of Virginia Woolf?’ – hun aanhankelijkheid kwam er in verwijten uit. Kort nadat ik er kwam te wonen, kreeg Fanny een hersenbloeding en overleed niet veel later. Het was het moment dat ik Hubert met enige regelmaat begon te bezoeken.

Een snob, niet perse aardig. Dat was mijn eerste indruk van Hubert. Als ik bij hem op bezoek was, werd me de maat genomen. Wat of ik schreef, voor welke bladen, of ik er geld voor kreeg? Hij kon me zo pissig maken met zijn hooghartige houding dat ik vaak dacht: dit was mijn laatste bezoek. Maar twee weken later zat ik er weer. Wat me aantrok was zijn woning. Met Fanny had hij van de inrichting een Gesammtkunstwerk gemaakt met art deco meubels, vitrinekasten vol parfumflesjes, wanden vol schilderijen en kamers vol boeken. Hubert was ooit een blauwe maandag geschiedenisleraar geweest maar leefde na een carrière als fotomodel toch vooral op de inkomsten van Fanny die een fotopersbureau runde. Hubert kan goed vertellen en hij had graag schrijver geworden maar hij was veroordeeld tot liefdevolle consumptie want het ontbrak hem aan discipline en een verhaal…

Categorieën
Interviews

DE POST HEEFT ME GEMAAKT TOT WIE IK BEN

“Ik werk sinds 1985 bij PostNL. Toen ik hier als 19-jarige kwam, heette het nog PTT. Ik zocht een vakantiebaantje en op straat zag ik allemaal leuke mensen met zo’n karretje en een pakkie aan. Gezellig, dacht ik. Ik stapte op ze af en ze bleken mensen nodig te hebben. Ik kon meteen beginnen.

Eerst wilde ik bij de politie. Dat leek me spannend; zaken oplossen, boeven vangen, mensen helpen, een uniform aan. Ik had ook gesolliciteerd en was aangenomen. Ze vonden me goed. Maar voor de opleiding moest je intern en mijn moeder vond mij te jong om vijf dagen per week niet thuis te hebben.

Bij de post kwam ik in een gezellige groep terecht. Ik werd goed opgevangen. Samen gingen we na het sorteren de deur uit om je wijkje te doen. Samen liep je daarna weer terug. Mijn wijk lag in de binnenstad en de mensen kenden je. Je werd gerespecteerd. Ook omdat je iets leuks bracht. Onderweg kwamen mensen mij de weg vragen. Door het uniform – broek, overhemd, schoenen – voelde je je goed. Je wás gewoon je werk. En je was ambtenaar. Een gegarandeerd vak dus. Op 4 augustus 1985, de vakantie was bijna voorbij, ik vergeet het nooit, riep onze voorman Harry Arends mij naar boven. ‘Lees dit papiertje even.’ Ik had geen idee. Was het mijn vaste contract! Na drie maanden! Zo gezellig. Mijn eerste baantje en meteen een vast contract. Ze waren echt heel tevreden.

Ik ben in Turkije in een dorp geboren. Mijn vader was schaapherder. Hij had zijn eigen schapen en hij hoedde de schapen van anderen uit de buurt die hem daarvoor betaalden. We hadden ook een ezel en een hond. Ik mocht vaak mee de bergen in en op de schapen letten. Ik wist niet beter dan dat de wereld uit een dorp bestond. Wij hadden het goed. Mijn vaders oudere broer was naar Nederland vertrokken. Die werkte daar om geld te verdienen. Als hij terugkwam nam hij altijd cadeaus mee. Hij vertelde mijn vader goede verhalen, dat er grote behoefte aan arbeiders was. Mijn vader besloot ook naar Nederland te gaan. Ik denk dat hij wat wilde opbouwen. Het zou voor een of twee jaar zijn.

Hij kwam in Soest terecht bij Ford. Hij schuurde plaatwerk. Hij woonde in een pension met zes op een kamer. Nee, geen privacy. Hij heeft ook bij Coca-Cola, Van Gendt en Loos en als kok bij het Marriott hotel gewerkt. Soms had hij zelfs twee banen. Ik was nog maar twee toen hij vertrok. Ik miste hem maar je snapte wel dat hij wegbleef, dat het zo lang duurde. Als het echt moet om je gezin te onderhouden, zou ik het ook kunnen. Alleen met vakantietijd kwam hij terug. Dan nam hij ook cadeaus mee. Kleding en, dat vergeet ik nooit, Nuts repen. Hij bleef uiteindelijk vier jaar weg.

In 1972 kreeg hij via Van Gendt en Loos een huisje aangeboden en liet hij ons overkomen. We werden door mijn oom naar het vliegveld in Ankara gebracht. Ik had nog nooit gevlogen en vond het spannend. Ik wilde nieuwe dingen meemaken én ik wilde naar mijn vader. Hij stond ons op Schiphol op te wachten. Eenmaal in Nederland werd ik na drie dagen opgenomen in het ziekenhuis. Geelzucht. Waarschijnlijk de verandering. Het heeft vijf maanden geduurd. Ik vond het leuk dat mijn vader er weer was al was hij vaak aan het werk. Ik vond de verhuizing niet echt erg. Ik was nieuwsgierig en ik kon naar school. In Turkije was ik nog nooit naar school geweest. Daar bleef alles hetzelfde. Voor mij was het goed: in het diepe. Ik zag er anders uit en sprak een andere taal maar als je jong bent, leer je snel. Ik voelde me al snel meer Nederlands dan Turks en sprak beter Nederlands dan Turks. Ik paste me heel snel aan. Ik had alleen maar Nederlandse vrienden. Marcel, Martin, we waren altijd samen. We deden kinderdingen zoals voetballen. Het was heel leuk om ook bij Nederlandse mensen thuis te komen. Als ik niet meekwam, misten ze me. Martin kon ook bij ons goed terecht.

Turkse vriendjes had ik niet. Die waren er niet. Behalve mijn zusje die in Nederland geboren is ook geen neefjes en nichtjes. Ik werd niet gediscrimineerd. Mijn vader werd ook gewoon gezien als een van de werkers. Zelfs de baas zag hem gewoon als werker. Bij Van Gendt en Loos mocht ik vaak mee. Daar zeiden ze: je vader is een harde werker. Dat wil ik ook, dat ze dat van mij zeggen. Er werd in die tijd anders tegen gastarbeiders en het werk dat ze deden, aangekeken. Er was respect. (EINDE FRAGMENT)

Dit verhaal is onderdeel van een project van kunstenares Monica Overdijk. Zij portretteert postbodes en samen tekenden we hun verhaal op. Mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.

Categorieën
Interviews

OPSTAAN OM 02u00

“Ik heb op het Fons Vitae Lyceum gezeten in Zuid. Havo. Het was een kakschool en ik zat met kinderen in de klas die het goed hadden dure merkkleding, drie keer peer jaar op vakantie, ouders met goede banen. Enig kinderen met dure merkkleding, die drie keer per jaar op vakantie gingen en ouders met goede banen hadden. Ik kwam wel bij klasgenoten thuis maar die waren gewoner. Dat vond ik toch fijner.
Wij waren thuis met zes. Ik heb twee jongere broers en een zusje. Mijn vader was banketbakker geweest maar om beter te verdienen is hij gaan leren voor sociaalpsychiatrisch verpleegkundige. Als kind vond ik het stoer dat hij zo hard werkte om voor ons te zorgen. Er moest thuis op het geld worden gelet. Mijn moeder – huisvrouw – ploos alle folders uit en deed aan aanbiedingen-shoppen. Kleding werd van broer tot broer doorgegeven. Ze zijn nu met pensioen en ondanks dat het niet meer hoeft, spelt mijn moeder nog steeds alle folders.
We woonden aan de Karperweg boven een snackbar. Tegenover ons huis zat Broodje van Jaap – mooie tent. Tot diep in de nacht zaten er bus- en taxichauffeurs. Maar die zaak is weg. Mijn oma woonde om de hoek, boven Broodje Koeman. Die zit er nog wel. Tot mijn 30ste heb ik thuis gewoond. Dat was lekker goedkoop en sparen ging makkelijk. Alles werd voor me gedaan.
Al jong volgde ik het aandelennieuws. Ik vond het interessant dat je met aandelen zoveel geld kon verdienen. Geld is nu eenmaal – helaas, helaas – heel belangrijk in het leven. Geen zorgen over de huur of medische kosten. Je kunt lekker uit eten en op vakantie gaan zonder dat je op je centen hoeft te letten, viergangen dinertjes koken voor vrienden. Na de havo wilde ik daarom iets met geld gaan doen. Economie ging me makkelijk af. Het was een studie die me waarschijnlijk meer financiële vrijheid zou geven. Ik heb me ingeschreven voor hbo management, economie en recht. Maar ik haalde het eerste jaar niet en ben toen gestopt. Mijn ouders vonden het wel heel jammer. Ik vond ook dat ik had gefaald – ik had iets niet afgemaakt én ik was 1.600 euro collegegeld kwijt. Ik probeerde nog kort een andere studie maar dat werd ook niks.
Via een uitzendbureau ben ik toen als bijrijder op de vuilniswagen aan de slag gegaan. Ik heb ook bij de veegdienst gewerkt. Een groot verschil met de wereld van de banken en economie maar ik vond het hartstikke leuk. Leuke collega’s, niet al te vroeg beginnen, bijtijds klaar en het verdiende ook lekker. Op de Ten Kate markt kregen we altijd fruit, blikjes Cola en weet ik wat al niet meer. Fysiek werk past beter bij me dan verslagen schrijven en naar cijfertjes zitten staren.
Op mijn 23ste solliciteerde ik bij PostNL. Het verbaasde mijn moeder niks dat ik postbode werd. Het schijnt dat ik het als kind al leuk vond. Ik speelde graag buiten, het is lekker alleen. Wel waren mijn ouders bang dat ik niet genoeg zou verdienen maar ik was ervan overtuigd dat het wel goed zou komen. Postbode was toen nog een van de weinige laaggeschoolde banen waar je nog fatsoenlijk mee verdiende. Als zestienjarige heb ik ook bij de Albert Heijn gewerkt. Dat werd heel, heel, heel slecht betaald: 6 gulden 17. Ik woonde wel thuis maar ik betaalde toch echt geen halve prijzen voor mijn boodschappen.
Om 2 uur sta ik op. Klein ontbijtje, kopje koffie en de basis hygiëne dingen. Om kwart voor drie stap ik op de fiets richting Australiëhavenweg. Dat is 50 tot 55 minuten fietsen afhankelijk van de wind. Daar haal ik een tweede kopje koffie en dan houd ik me van vier tot kwart voor zeven bezig met de postbussen. Daarna ga ik naar de Vroege Ochtend Sortering. Daar sorteer je de post uit rode en blauwe bakken; post die de machine heeft gesorteerd en post die de machine niet kan verwerken of lezen. Die handpost gooi je per wijk in de vakken – ‘ingooien’ of ‘instraten’ noem je dat. Om halftwaalf ben ik hiermee klaar en komen ze met een lijstje “open wijken” aanzetten. ‘Bas, kies maar uit. Voor deze hebben we nog geen mensen.’ Ik heb een klein contract maar werk wel 45 uur per week. ’s Morgens binnen de gezelligheid, grappen en grollen en ’s middags lekker op mezelf op straat. Geen managers meer die in mijn nek hijgen…” (EINDE FRAGMENT)

Dit verhaal is onderdeel van een project van kunstenares Monica Overdijk. Zij portretteert postbodes en samen tekenden we hun verhaal op. Mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.

Categorieën
Reportages

EEN DECORSTUK GAAT HIER JAREN MEE

Bakkerij Blankendaal verkoopt brood en gebak. De belangstelling van Riek krijg je er gratis bij. Klanten komen op pantoffels, prijzen zijn er laag. Maar de tijd van drie verkoopsters in de winkel is voorbij. ‘Als mijn vrouw iemand twee dagen niet heeft gezien, gaat ze rondvragen.’

Het is zes uur en buiten nog donker als de winkelbel klinkt en moeder Riek (64) – kleine oogjes, gezet postuur, bril, onder een praktisch grijs kapsel – de bakkerij binnenstapt waar haar twee zoons al uren in de weer zijn. ‘Een hele goedemorgen.’ Ze draagt stevige wandelschoenen en een dikke wollen trui waarover ze straks een schort zal aantrekken. Het eerste wat ze doet is haar jongens van koffie voorzien. ‘Moeders hè’. Echtgenoot Bert laat nog op zich wachten – hij parkeert de auto.

Bert Blankendaal (64) draagt onder zijn fleecevest een buik voor zich uit en heeft lang grijs, warrig haar. ‘Moge. Hoe het gaat? Ze gangetje. Hoe dat gangetje is? Vol te hou-we.’ Nestor Berts stem is laag. In de winkel liggen naast broden ook Berts boeken. Op de achterflap van verhalenbundel Zadelpijn in Zuid: “Je vangt altijd wat op in Amsterdam (..) soms een zin, soms een outfit, soms een blik… en daar laat je dan je fantasie mee spelen.” Bert: ‘Reve en Hermans zijn de grootsten, maar Carmiggelt is ook prachtig.’

Als de koffie is ingeschonken gaat Riek met de kratten brood naar de winkel en vult ze de achterwand. In de bakkerij heeft Bert een stapel broodzakken gepakt om een bestelling in te pakken. Tot zijn jongste: ‘Die stokken van de Britten zijn die al naar de winkel?’

Ruud: ‘Wat?’

‘Die stokken, zijn die al klaar of niet?’

‘Nee.’

In 1995 kochten Bert en Riek de zaak op de hoek Jason- en Amazonenstraat. Ze hadden een keten van drie winkels en een grote, moderne bakkerij. Bert: ‘Maar als ik op zondagavond sport wilde gaan kijken, kwamen de eerste telefoontjes: die ziek, die ruzie met die. Ik had zoveel mensen voor me werken, de huren van drie winkels, ons eigen pand, belastingen. Ik wilde weer bakker zijn.’

Riek. ‘En ik was ondertussen kleuterjuf voor al die winkelmeiden.’ Riek stelde voor de boel te verkopen.

Na de overdracht beleefde Bert een kort avontuur in een broodfabriek (‘Ik wilde dat wel eens meemaken’) en Riek op de broodafdeling van een supermarkt. Riek: ‘Maar daar had ik nauwelijks contact met de mensen. Niks aan.’ Ze kregen de tip van een kleine zaak in Amsterdam Zuid die te koop stond. Riek: ‘Triest, de bakker, een jonge vader met twee kinderen, lag op een ochtend dood voor de oven. Toen we gingen kijken stond het gras hoog tegen de gevel.’

Bert: ‘Een kleine winkel mét bakkerij in een buurt met geld. Precies wat ik zocht.’

Na opening liep het meteen goed.

Bij zevenen prikt Bert buiten de vlaggen in de houders – de klapborden zijn vastgezet, de statafel is uitgeklapt, de gefiguurzaagde dikke banketbakker met koksmuts aan de gevel ontbreekt niet. Binnen meldt zich een oude man in ruimvallende vale spijkerbroek op Zweedse muilen bij de toonbank voor een halfje wit. Riek (later): ‘Ik heb ook een klant die elke morgen met een koffie en croissant kwam ontbijten. Die leest de krant en vraagt altijd: “Mevrouw de bakker, wat vindt u hier nu van?” Of een vrouw die in acht maanden tijd haar broer en moeder is kwijtgeraakt. Die viel in een heel zwart gat. Met haar spreek ik dan weer over het overlijden van mijn vader en schoonmoeder. Nadat we de bakkerij hadden verkocht, zat ik zes weken thuis. Ik werd gek. Ging wel fietsen, dingen doen maar ik miste de gezelligheid. Ik ben benieuwd naar mensen. Ik zeg wel eens: ik ben een sociaal werkster alleen word ik er niet naar betaald.’

Een vrouw komt binnen: ‘Goedemorgen, een halfje grof gesneden.’ Nadat de vrouw na een praatje met haar brood is vertrokken (“Doooooeg”), gaat Riek verder. ‘Maar die oude man van zo-even heeft hier een keer uren gezeten. Na twee uren liep ik met piepende oren en stekende hoofdpijn naar Bert. Die ging vervolgens naar de man. “Had u nog wat gehad willen hebben of…?” Hij keek op en antwoordde: “Doe nog maar een koffie.”’

Drie uur later rekende hij af: 3 euro. (EINDE FRAGMENT)

Categorieën
Korte verhalen

GOED POST?

Lucker van nummer 4 ruimt op. Verdomd mooie boeken. Met een Heeresma, Auster en Sontag biografie onder mijn arm loop ik mijn stapel post weg. Op 14 hangt een Te Koop bord. Bijna een miljoen. De kelder is erbij getrokken. Zat eerst een fietsenmaker. Meneer Boukhmeri. Hij sprak geen woord Nederlands. Nu ja, drie: ‘goed post’ (als in: alles goed met de postbode?). En ’thee’ (wil je een kopje thee?).Meneer Boukhmeri bezat – afgezien van een tjokvolle werkplaats onder straatniveau met veelal tweedehands onderdelen – weinig maar op een dag dat ik weer eens de keldertrap was afgedaald en we zwijgend onze thee zaten koud te blazen, bood hij me ook de helft van zijn lunch aan, een viertal croissants.

In zijn kelder heerste een prachtige chaos van gereedschappen, onderdelen, affiches en kisten. Een ochtend zat ik weer eens naast hem te blazen en kijken toen hij me met veel handgebaren vertelde dat hij een tweedehands fiets had verkocht voor €9,95. Ik had een opmerking over zijn bril gemaakt. Die had hij buiten nooit op maar nu, hij was iets aan het repareren, wel. Hij maakte duidelijk dat hij die ook op had moeten zetten toen hij die fiets afrekende want dan had hij waarschijnlijk wél gezien dat hij geen €99,95 op zijn PIN apparaat had ingetoetst. Met een pijnlijke glimlach schudde hij van nee toen ik vroeg of de klant nog was teruggekeerd.

Dat was dus in de kelder van nummer 14, die nu bij het appartement is getrokken, van bijna een miljoen. Meneer Boukhmeri zocht nog wel naar werkplaatsen in de buurt, en ik met hem, maar hoe hard hij ook zocht, in deze tijd en met zijn nering was het een kansloze exercitie. Dus zo verdween de buurman van mevrouw Lucker die haar boeken wegdoet en verloor de straat de enige middenstand die er zat. Ik drink mijn thee sindsdien uit mijn thermosfles en alleen op een traptrede of bankje.