Categorieën
Interviews

IK BEN EIGENLIJK NET KAREL APPEL

“Je gelooft het misschien niet, maar ik wist dat je zou komen. Dat komt, het stond in de krant, in de horoscoop: u gaat een boek schrijven. Je ziet het overal hè, artiesten die een boek schrijven. En nu kom jij met de vraag of je mijn verhaal mag opschrijven. Nee, dan moet er toch íets zijn.

Ik lees altijd eerst de hoogtepunten. Heb ik dat gedaan, dan ga ik beter lezen. En ook dat wat ik over heb geslagen. Vroeger als de taxichauffeurs die ik van de Febo kende langsreden, sloten ze nog wel eens weddenschapjes af. Of ik de krant zat te lezen, of dat ik een klant had. Maar dat doen ze niet meer, er is geen lol meer aan. Aan het eind van de dag heb ik heel die krant gelezen, álles, ook de horoscoop.

Ik kwam van de kermis. Van kinds af aan hielp ik mijn ouders. Op mijn zevenentwintigste had ik mijn eerste eigen attractie. Toen de kermis steeds slechter werd – meer regels, vergunningen, duurder stageld – ben ik op zoek gegaan naar iets anders.

Ik wilde zo net mogelijk mijn geld verdienen. Mijn ex-schoonvader had een bloemenstal, bij het Hilton. Dit was ook werk met je handen. Wel een beetje verstand, maar toch: vooral je handen. Toen een bekende ermee stopte, heb ik zijn plek overgenomen.

Na zoveel jaren Nederland doorreizen, zat ik ineens elke dag in die kleine stal met hetzelfde uitzicht. Ik moest afkicken. Ik heb lang gehad dat als het voorjaar aanbrak ik het aan mijn lichaam voelde: ik móet weg. Op de kermis schoot je geen wortel. Een enkele keer stonden we ergens langer. Als de anderen dan al weg waren, dan was het wel kaal en stil. Dan wilde ik ook zo snel mogelijk weg.

Ik stond op het plein, naast de Febo. Daar heb ik achttien jaar gestaan. Het waren mijn beste jaren: veel omzet, veel aanspraak. Met vierhonderd guldens inkoop had ik een omzet van wel tweeduizend. Ik haalde elke dag mijn koffie bij de Febo. Als het tegen sluitingstijd liep, dan kreeg ik het vaak zó mee, met een broodje en De Telegraaf erbij. Als ze mij iets aanbieden zeg ik altijd: ja. Ik heb uitgerekend dat ik er duizend euro per jaar mee heb bespaard.

Na zoveel jaren Nederland doorreizen, zat ik ineens elke dag in die kleine stal met hetzelfde uitzicht.

Eens in het jaar was er circus op het plein. Op een middag komt er een gloednieuwe Porsche aangereden: Reinout Oerlemans. Ik naar buiten. ‘Zet ’m hier maar neer. Ik let er wel op.’ Ik denk dat hij mij ook wel kende, half Nederland herkent me. Ja, er rijden dagelijks duizenden auto’s voorbij. Ik vertellen dat ik ook een Porsche heb gehad. Een oudje maar wel mooi een Porsche! ‘Geef me je sleutels maar dan was ik hem voor je.’ Sta ik even later uitgebreid die Porsche te soppen – en ja hoor, daar kwamen ze, die taxichauffeurs uit de Febo. ‘Is die van jou, heb je een ander?’ Ik doodleuk: ‘Was tijd voor iets nieuws.’ Ze werden he-le-maal gek. Ze willen alles van me weten, vooral hoeveel ik verdien. 

Op een bloemenmannenmanier zou ik het hier nog geen jaar hebben uitgehouden. Heb je een stal in de wijk, dan komen de mensen naar je toe. Langs de weg niet, ik moet wachten. Maar ik heb mijn trucjes. Op zondagen vroeg ik meer, want de mensen konden toch nergens anders heen. Bovendien komen zondagsklanten vaak van buiten. De stemming is feestelijk, het is niet voor jezelf. Dan ga je niet moeilijk doen.

Ook heb ik altijd andere bloemen gehad. Ik verkocht bloemen die niemand op de veiling wilde hebben. Ik hield wel de prijzen aan van dure bloemen. Ook mengde ik boeketten van oud spul. Ik ben eigenlijk net Karel Appel. Ik had boeketten in de gekste kleuren, van bloemen met een rare of platte kop, kromme stelen. Het schreeuwde, maar het was niet lelijk. Oude zonnebloemen pelde ik. Dan waren de blaadjes dor en bruin maar was het hart nog goed. Dat stak ik dan in een boeket. ‘Da’s apart,’ zeiden ze dan. Artistiekelingen, zweverige mensen – die heb je hier in Zuid. Zoals ik: lekker wild, gek (EINDE FRAGMENT)…

Categorieën
Interviews

DE POST HEEFT ME GEMAAKT TOT WIE IK BEN

“Ik werk sinds 1985 bij PostNL. Toen ik hier als 19-jarige kwam, heette het nog PTT. Ik zocht een vakantiebaantje en op straat zag ik allemaal leuke mensen met zo’n karretje en een pakkie aan. Gezellig, dacht ik. Ik stapte op ze af en ze bleken mensen nodig te hebben. Ik kon meteen beginnen.

Eerst wilde ik bij de politie. Dat leek me spannend; zaken oplossen, boeven vangen, mensen helpen, een uniform aan. Ik had ook gesolliciteerd en was aangenomen. Ze vonden me goed. Maar voor de opleiding moest je intern en mijn moeder vond mij te jong om vijf dagen per week niet thuis te hebben.

Bij de post kwam ik in een gezellige groep terecht. Ik werd goed opgevangen. Samen gingen we na het sorteren de deur uit om je wijkje te doen. Samen liep je daarna weer terug. Mijn wijk lag in de binnenstad en de mensen kenden je. Je werd gerespecteerd. Ook omdat je iets leuks bracht. Onderweg kwamen mensen mij de weg vragen. Door het uniform – broek, overhemd, schoenen – voelde je je goed. Je wás gewoon je werk. En je was ambtenaar. Een gegarandeerd vak dus. Op 4 augustus 1985, de vakantie was bijna voorbij, ik vergeet het nooit, riep onze voorman Harry Arends mij naar boven. ‘Lees dit papiertje even.’ Ik had geen idee. Was het mijn vaste contract! Na drie maanden! Zo gezellig. Mijn eerste baantje en meteen een vast contract. Ze waren echt heel tevreden.

Ik ben in Turkije in een dorp geboren. Mijn vader was schaapherder. Hij had zijn eigen schapen en hij hoedde de schapen van anderen uit de buurt die hem daarvoor betaalden. We hadden ook een ezel en een hond. Ik mocht vaak mee de bergen in en op de schapen letten. Ik wist niet beter dan dat de wereld uit een dorp bestond. Wij hadden het goed. Mijn vaders oudere broer was naar Nederland vertrokken. Die werkte daar om geld te verdienen. Als hij terugkwam nam hij altijd cadeaus mee. Hij vertelde mijn vader goede verhalen, dat er grote behoefte aan arbeiders was. Mijn vader besloot ook naar Nederland te gaan. Ik denk dat hij wat wilde opbouwen. Het zou voor een of twee jaar zijn.

Hij kwam in Soest terecht bij Ford. Hij schuurde plaatwerk. Hij woonde in een pension met zes op een kamer. Nee, geen privacy. Hij heeft ook bij Coca-Cola, Van Gendt en Loos en als kok bij het Marriott hotel gewerkt. Soms had hij zelfs twee banen. Ik was nog maar twee toen hij vertrok. Ik miste hem maar je snapte wel dat hij wegbleef, dat het zo lang duurde. Als het echt moet om je gezin te onderhouden, zou ik het ook kunnen. Alleen met vakantietijd kwam hij terug. Dan nam hij ook cadeaus mee. Kleding en, dat vergeet ik nooit, Nuts repen. Hij bleef uiteindelijk vier jaar weg.

In 1972 kreeg hij via Van Gendt en Loos een huisje aangeboden en liet hij ons overkomen. We werden door mijn oom naar het vliegveld in Ankara gebracht. Ik had nog nooit gevlogen en vond het spannend. Ik wilde nieuwe dingen meemaken én ik wilde naar mijn vader. Hij stond ons op Schiphol op te wachten. Eenmaal in Nederland werd ik na drie dagen opgenomen in het ziekenhuis. Geelzucht. Waarschijnlijk de verandering. Het heeft vijf maanden geduurd. Ik vond het leuk dat mijn vader er weer was al was hij vaak aan het werk. Ik vond de verhuizing niet echt erg. Ik was nieuwsgierig en ik kon naar school. In Turkije was ik nog nooit naar school geweest. Daar bleef alles hetzelfde. Voor mij was het goed: in het diepe. Ik zag er anders uit en sprak een andere taal maar als je jong bent, leer je snel. Ik voelde me al snel meer Nederlands dan Turks en sprak beter Nederlands dan Turks. Ik paste me heel snel aan. Ik had alleen maar Nederlandse vrienden. Marcel, Martin, we waren altijd samen. We deden kinderdingen zoals voetballen. Het was heel leuk om ook bij Nederlandse mensen thuis te komen. Als ik niet meekwam, misten ze me. Martin kon ook bij ons goed terecht.

Turkse vriendjes had ik niet. Die waren er niet. Behalve mijn zusje die in Nederland geboren is ook geen neefjes en nichtjes. Ik werd niet gediscrimineerd. Mijn vader werd ook gewoon gezien als een van de werkers. Zelfs de baas zag hem gewoon als werker. Bij Van Gendt en Loos mocht ik vaak mee. Daar zeiden ze: je vader is een harde werker. Dat wil ik ook, dat ze dat van mij zeggen. Er werd in die tijd anders tegen gastarbeiders en het werk dat ze deden, aangekeken. Er was respect. (EINDE FRAGMENT)

Dit verhaal is onderdeel van een project van kunstenares Monica Overdijk. Zij portretteert postbodes en samen tekenden we hun verhaal op. Mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.

Categorieën
Interviews

OPSTAAN OM 02u00

“Ik heb op het Fons Vitae Lyceum gezeten in Zuid. Havo. Het was een kakschool en ik zat met kinderen in de klas die het goed hadden dure merkkleding, drie keer peer jaar op vakantie, ouders met goede banen. Enig kinderen met dure merkkleding, die drie keer per jaar op vakantie gingen en ouders met goede banen hadden. Ik kwam wel bij klasgenoten thuis maar die waren gewoner. Dat vond ik toch fijner.
Wij waren thuis met zes. Ik heb twee jongere broers en een zusje. Mijn vader was banketbakker geweest maar om beter te verdienen is hij gaan leren voor sociaalpsychiatrisch verpleegkundige. Als kind vond ik het stoer dat hij zo hard werkte om voor ons te zorgen. Er moest thuis op het geld worden gelet. Mijn moeder – huisvrouw – ploos alle folders uit en deed aan aanbiedingen-shoppen. Kleding werd van broer tot broer doorgegeven. Ze zijn nu met pensioen en ondanks dat het niet meer hoeft, spelt mijn moeder nog steeds alle folders.
We woonden aan de Karperweg boven een snackbar. Tegenover ons huis zat Broodje van Jaap – mooie tent. Tot diep in de nacht zaten er bus- en taxichauffeurs. Maar die zaak is weg. Mijn oma woonde om de hoek, boven Broodje Koeman. Die zit er nog wel. Tot mijn 30ste heb ik thuis gewoond. Dat was lekker goedkoop en sparen ging makkelijk. Alles werd voor me gedaan.
Al jong volgde ik het aandelennieuws. Ik vond het interessant dat je met aandelen zoveel geld kon verdienen. Geld is nu eenmaal – helaas, helaas – heel belangrijk in het leven. Geen zorgen over de huur of medische kosten. Je kunt lekker uit eten en op vakantie gaan zonder dat je op je centen hoeft te letten, viergangen dinertjes koken voor vrienden. Na de havo wilde ik daarom iets met geld gaan doen. Economie ging me makkelijk af. Het was een studie die me waarschijnlijk meer financiële vrijheid zou geven. Ik heb me ingeschreven voor hbo management, economie en recht. Maar ik haalde het eerste jaar niet en ben toen gestopt. Mijn ouders vonden het wel heel jammer. Ik vond ook dat ik had gefaald – ik had iets niet afgemaakt én ik was 1.600 euro collegegeld kwijt. Ik probeerde nog kort een andere studie maar dat werd ook niks.
Via een uitzendbureau ben ik toen als bijrijder op de vuilniswagen aan de slag gegaan. Ik heb ook bij de veegdienst gewerkt. Een groot verschil met de wereld van de banken en economie maar ik vond het hartstikke leuk. Leuke collega’s, niet al te vroeg beginnen, bijtijds klaar en het verdiende ook lekker. Op de Ten Kate markt kregen we altijd fruit, blikjes Cola en weet ik wat al niet meer. Fysiek werk past beter bij me dan verslagen schrijven en naar cijfertjes zitten staren.
Op mijn 23ste solliciteerde ik bij PostNL. Het verbaasde mijn moeder niks dat ik postbode werd. Het schijnt dat ik het als kind al leuk vond. Ik speelde graag buiten, het is lekker alleen. Wel waren mijn ouders bang dat ik niet genoeg zou verdienen maar ik was ervan overtuigd dat het wel goed zou komen. Postbode was toen nog een van de weinige laaggeschoolde banen waar je nog fatsoenlijk mee verdiende. Als zestienjarige heb ik ook bij de Albert Heijn gewerkt. Dat werd heel, heel, heel slecht betaald: 6 gulden 17. Ik woonde wel thuis maar ik betaalde toch echt geen halve prijzen voor mijn boodschappen.
Om 2 uur sta ik op. Klein ontbijtje, kopje koffie en de basis hygiëne dingen. Om kwart voor drie stap ik op de fiets richting Australiëhavenweg. Dat is 50 tot 55 minuten fietsen afhankelijk van de wind. Daar haal ik een tweede kopje koffie en dan houd ik me van vier tot kwart voor zeven bezig met de postbussen. Daarna ga ik naar de Vroege Ochtend Sortering. Daar sorteer je de post uit rode en blauwe bakken; post die de machine heeft gesorteerd en post die de machine niet kan verwerken of lezen. Die handpost gooi je per wijk in de vakken – ‘ingooien’ of ‘instraten’ noem je dat. Om halftwaalf ben ik hiermee klaar en komen ze met een lijstje “open wijken” aanzetten. ‘Bas, kies maar uit. Voor deze hebben we nog geen mensen.’ Ik heb een klein contract maar werk wel 45 uur per week. ’s Morgens binnen de gezelligheid, grappen en grollen en ’s middags lekker op mezelf op straat. Geen managers meer die in mijn nek hijgen…” (EINDE FRAGMENT)

Dit verhaal is onderdeel van een project van kunstenares Monica Overdijk. Zij portretteert postbodes en samen tekenden we hun verhaal op. Mede mogelijk gemaakt door het Steunfonds Freelance Journalisten.

Categorieën
Interviews

OOM WIM

Ik leerde hen op verjaardagen kennen – altijd goed gekleed, het haar netjes gekapt, de nodige sieraden om en een blinkend horloge aan de pols. Wim, grijs of niet, had nog steeds zijn kuif, Delia verfde haar haar. En dan was er hun zoon Sjaak. Al in de dertig maar hij week nooit van pa’s zijde. Zat Wim met zijn handen breeduit op de knieën, dan Sjaak ook. Zette Wim zijn halve liter aan de mond dan volgde Sjaak. Vertelde zijn vader een grap dan glom Sjaak als de kring in lachen uitbarstte. Met roken deed hij niet mee. Paffen deed Wim met Deel.

Monica is er eerder geweest, maar ik bezoek Wim en Delia voor het eerst thuis.

Ze zitten te wachten – Delia in haar stoel die naar de straat is gericht, Wim in de zijne die op de tuin uitkijkt.

We stappen een keurig huis binnen. Zijn broer (Piet) woont een paar huizen verder. Toen Piets vrouw overleed nam Delia het schoonmaken over. Orde en glans lijken voor haar de basis van voorspoed. In haar huis is het zilverwerk gepoetst, blinken de antieke kasten, passen de stoelen bij de bank en vormt een glimmend oud kerkorgel het pronkstuk in de kamer. Wim: ‘Mijn vader had er ook een. Hij speelde, laat ik zeggen… aardig. Maar hij haalde niet alles uit dat ding. Op een middag hoorde ik een liedje op de radio. Ik vroeg of ik even mocht spelen. Wat denk je? Speelde ik het zo na. Mocht er daarna nooit meer achter.’

Delia vanuit de keuken: ‘Later is Wim gitaar gaan spelen. In een bandje.’

Wim: ‘Ze hadden gehoord dat ik aardig speelde. Hebben ze mij in de band gevraagd. Speelde meteen alles mee. De zanger was niet heel goed. Tijdens een optreden besloot ik wat mee te zingen. Was ik daarna ineens ook de leadzanger.’

Delia zet het theeservies op tafel. In huis hangen veel familiefoto’s. Ook van Wims ouders. ‘Maar naar mijn vader kijk ik nooit. Toen Sjaak was geboren, kwam ie langs en zei: “Die moet je wegdoen.” Ik heb hem heel snel de deur gewezen.’

Om mijn thee te pakken, leg ik mijn vulpen met de dop erop, naast me. Delia schrikt op: ‘Fer, toch geen inkt op mijn nieuwe bank.’

Delia: ‘Heb je die gezien, Fer?’ In huis staan kleine scheepsmodellen. Er hangen ook tekeningen en schilderijen. ‘Heeft oom Wim gemaakt.’ Ik kijk naar een eenzame boot op woeste zee. Wim: ‘Als kind zeiden ze: die moet naar de kunstacademie. Niet gedaan. Daar kan je geen gezin van onderhouden.’

Als veertienjarige begon hij als leerling-verwarmingsmonteur. ‘Ik sjouwde met gasflessen van 35 kilo. Ik liet me niet kennen. Later zeiden ze: “Heb je die handen van Wim gezien. Daar moet je niet in terechtkomen.”’ Tot zijn veertigste werkte hij in de bouw. Op den duur kon hij met zijn handen maken wat zijn ogen zagen. Delia: ‘Wim heeft heel ons huis gedaan.’ Toen hij met slopen meer kon verdienen, pakte hij de drilboor op. Het kostte hem zijn schouders en enkele nek- en rugwervels.

Ik denk aan een verhuizing. Monica’s zusje was net gescheiden en Wim en ik stonden er met zijn tweeën voor. Wim was in de zestig en had het aan zijn hart – ieder ander had in zijn toestand met spoed gedotterd moeten worden. Wim niet. ‘De dokter heb gekeken en zag dat er bij mij zelf al een omleiding was ontstaan. Hadden ze nog nooit meegemaakt.’ Toen de koelkast naar beneden moest, vroeg ik toch of dit wel zou gaan. Wim hees zijn broek omhoog, spuugde zichzelf in de handen en vanachter de hoge koelkast hoorde ik: ‘Kom maar op jij.’ En dit was niet aan mij gericht. Later stond hij bezweet en rood aangelopen naast zijn ‘tegenstander’. Om op adem te komen, stak hij een shagje op.

De klok slaat halfeen. Delia staat op. ‘Jullie eten toch wel een boterhammetje mee? Wim pak jij een tafelkleed uit de kast?’ Borden, bestek, bekers, vleeswaren in zes soorten, kaas en melk, een kuipje margarine en een halfje wit en bruin verschijnen. Als we zitten: ‘Wil je melk, Fer? Neem maar. Volle melk. Lekker vet, voedzaam. Je moet goed eten hoor. Daar zit ten minste wat in. Jij kan het hebben. Eet je wel genoeg? Eet-ie wel genoeg, Moon? Niet nog een boterham?’

‘Goed eten.’ Ook zoon Sjaak bleef dit herhalen. Tot hij zo ziek was dat hij niets meer kón binnenhouden. Twee jaar geleden overleed hij.

Wim zit naast me en schuift boterhammen met rookvlees, leverkaas, kaas, dik belegd en met smaak naar binnen. Bij die met gebraden gehakt aarzelt hij. Hij kijkt naar de datum op de verpakking, ruikt, bekijkt zijn boterham maar keurt hem toch goed: hap. ‘Ik had werktuigbouwkundige willen worden. Ik kon goed leren. Ik mocht een keer een cursus volgen. Deed ik er twee tegelijk.’

Een paar weken later zitten we in de tuin bij mijn jarige schoonvader. Delia heeft een kortgeknipt koppie. Ze is ernstig ziek geweest. Ze heeft het lang stilgehouden. Inmiddels is haar haar alweer aangegroeid. Met verven is ze gestopt. ‘Niet meer belangrijk,’ zegt ze daarover. Kort daarna kreeg Wim een beroerte. Praten gaat nu moeizaam, Delia rolt zijn shagjes. Chips, kaas, worst en de halve liters werkt hij wel als vanouds naar binnen. ’s Avonds bij vertrek wil hij opstaan, maar valt bijna terug in zijn stoel. Voetje voor voetje beweegt hij richting voordeur. Nauwelijks een woord is er aan zijn gezondheid gewijd. Buiten wil Delia hem ondersteunen maar Wim duwt haar hand weg: ‘Lukt wel!’

FERRY WIERINGA

BEELD: MONICA OVERDIJK (uitsnede)